Welke temperatuursensor je nodig hebt voor je regelaar hangt volledig af van het merk en type van je gebouwbeheersysteem (GBS). Verschillende merken gebouwbeheersystemen hanteren diverse standaarden voor hun meet- en regeltechniek. Onze sensoren zijn zo ontworpen dat ze volledig compatibel zijn met deze systemen, mits u de juiste karakteristiek kiest. Raadpleeg daarom onze vergelijkingstabel om te bepalen of jouw regelaar een NTC 10K, PT1000 of NI1000 sensor vereist.
Een NTC-sensor is een temperatuurgevoelige weerstand met een negatieve temperatuurcoëfficiënt, waarbij de waarde ’10K’ aangeeft dat de sensor een weerstand van 10.000 Ohm (10 kilo-ohm) heeft bij een basistemperatuur van 25°C. Naarmate de temperatuur stijgt, zal de weerstandswaarde van de sensor afnemen.
Er zijn voor HVAC-installaties hoofdzakelijk twee soorten temperatuursensoren: passieve sensoren (zoals PT100, PT1000 en NTC) die enkel van weerstand veranderen, en actieve sensoren die een eigen voeding hebben en een gestandaardiseerd signaal zoals 0-10V of 4-20mA uitsturen.
Het verschil tussen een PT100 en een PT1000 sensor zit in de nominale weerstand bij 0°C, waarbij de PT100 een weerstand van 100 Ohm heeft en de PT1000 een weerstand van 1000 Ohm. De PT1000 is hierdoor gevoeliger en nauwkeuriger bij lange kabellengtes omdat de eigen weerstand van de kabel minder invloed heeft op de meting, met name bij gebruik in een 3- of 4-draads configuratie.
Een weerstandstabel voor je sensor vind je in onze kennisbank, waar we voor alle gangbare types zoals PT100, PT1000, NI1000 en NTC de exacte Ohm-waarden bij elke temperatuur hebben gedocumenteerd. Deze tabellen zijn essentieel voor het correct inregelen en controleren van je installatie.
Hoe kan ik een PT1000 sensor doormeten op defecten?
Je kunt een PT1000 sensor doormeten op defecten door met een multimeter de weerstand op de Ohm-stand te controleren; bij een kamertemperatuur van ongeveer 20°C moet de sensor een waarde van circa 1078 Ohm aangeven. Indien de waarde extreem afwijkt of er geen doorgang is, duidt dit op een defecte sensor of kabelbreuk.
Wat is het verschil tussen een passieve en een actieve temperatuursensor?
Het verschil tussen een passieve en een actieve temperatuursensor is dat een passieve sensor alleen een variabele weerstand afgeeft, terwijl een actieve sensor (transmitter) een voedingsspanning nodig heeft om de meting om te zetten in een digitaal of analoog signaal (0-10V/4-20mA). Actieve sensoren hebben de voorkeur bij zeer grote afstanden tot de regelaar om signaalverlies te voorkomen.
Een ‘low flow’ melding op uw UG-3-A4O betekent dat de luchtsnelheid in het kanaal te laag is voor een betrouwbare meting door de venturibuis; controleer of de meetbuis correct in de luchtstroom is geplaatst en of de aanzuiggaten niet zijn verstopt door stof of vuil.
Een UG-8 rookmelder kan buiten worden gemonteerd mits er gebruik wordt gemaakt van een extra beschermkast en een verwarmingselement om condensvorming te voorkomen, aangezien de standaard behuizing een IP54-classificatie heeft.
De rookdetector van een kanaalrookmelder moet worden vervangen zodra de service-led op de unit een alarm afgeeft of wanneer bij de jaarlijkse inspectie blijkt dat de sensor door stof verzadigd is en de veiligheid niet langer gegarandeerd kan worden.
Een kanaalrookmelder moet geplaatst worden in een recht stuk kanaal op een afstand van minimaal drie keer de kanaaldiameter vóór een bocht en vijf keer de diameter ná een bocht om turbulente luchtstromen en onbetrouwbare metingen te voorkomen.
De functie van een venturibuis bij rookdetectie is het effectief aanzuigen van lucht uit het ventilatiekanaal naar de rookmelder toe, waardoor rookdeeltjes ook bij lagere luchtsnelheden snel en betrouwbaar gedetecteerd kunnen worden.
Je kunt de werking van een kanaalrookmelder controleren door gebruik te maken van speciale testspray (proefrook) die via de testopening of nabij de aanzuigbuis wordt ingebracht, waarna de melder in alarm moet gaan en de aangesloten ventilatoren of kleppen moet aansturen.
De NEN 6075 norm stelt eisen aan de beperking van rookverspreiding tussen brandcompartimenten, waarbij kanaalrookmelders een essentiële rol spelen door bij detectie direct de ventilatie uit te schakelen of brandkleppen te sluiten conform de weerstand tegen rookdoorgang (R200 of Sa).
Je kunt het meetbereik van een DPT-2500-R8 instellen door de jumpers op de printplaat te verplaatsen naar de gewenste configuratie, waarbij je kunt kiezen uit acht verschillende bereiken variërend van 0..100 Pa tot 0..2500 Pa.
Het verschil tussen een DPT-Ctrl en een standaard DPT-transmitter is dat de DPT-Ctrl fungeert als een PID-regelaar die direct apparatuur zoals ventilatoren kan aansturen, terwijl een standaard DPT enkel het drukverschil meet en doorgeeft aan een gebouwbeheersysteem.
Je CO2-meting kan soms schommelen omdat de sensor zichzelf automatisch probeert bij te stellen om nauwkeurig te blijven, wat ook wel ‘ABC-logica’ wordt genoemd. De sensor gaat er hierbij vanuit dat de lucht in de ruimte op een bepaald moment op de dag net zo schoon wordt als frisse buitenlucht.
Om dit goed te kunnen meten en zichzelf te herstellen, is het noodzakelijk dat de ruimte elke dag minstens 4 uur lang helemaal leeg is. Eén keer per week luchten of verse buitenlucht binnenlaten is dus niet genoeg om de sensor goed te laten werken.
Je zou een VOC-sensor moeten plaatsen naast een CO2-meter omdat een VOC-sensor vluchtige organische stoffen zoals dampen van schoonmaakmiddelen en bouwmaterialen detecteert, terwijl een CO2-meter enkel de luchtvervuiling door menselijke aanwezigheid meet.
Je voert een nulpuntkalibratie bij een DPT-transmitter uit door de drukslangen los te koppelen zodat de sensor drukloos is en vervolgens de ‘zero’ knop op de printplaat ingedrukt te houden tot de LED groen knippert.
De functie van een meetkruis/pitobuis bij een flowmeting is het meten van de luchtdrukverschil over de volledige breedte of diameter van een ventilatiekanaal, wat resulteert in een veel nauwkeuriger en stabieler meetsignaal voor de drukverschilopnemer.
Voor monitoring in een cleanroom zijn uiterst nauwkeurige verschildruktransmitters met een klein meetbereik (zoals de DPT-serie en DPT-Priima van HK Instruments) geschikt, omdat deze de minimale overdruk kunnen bewaken die nodig is om contaminatie van buitenaf te weren.
Je meet de luchtsnelheid in een ventilatiekanaal met een DPT-transmitter door deze te combineren met een Pitot-buis of meetkruis, waarbij de transmitter het drukverschil omzet naar een lineair signaal voor de luchtsnelheid in m/s of het debiet in m³/h.
Nee, je hebt geen grote of ingewikkelde schakelkast buiten de gevaarlijke ruimte nodig. Je kunt deze aandrijving namelijk gewoon direct aansluiten op de stroomvoorziening (24 tot 240 volt). Maar let op: je hebt wél een speciaal beveiligd aansluitdoosje nodig (zoals een ExBox) direct naast het apparaat. Omdat je in een gevaarlijke omgeving werkt (Zone 1), is het verplicht om de stroomkabels binnen dit goedgekeurde doosje aan elkaar te koppelen. Dit zorgt ervoor dat de aansluiting 100% veilig is en er geen vonken kunnen ontstaan die een explosie veroorzaken.
Het verschil tussen ATEX Zone 1 en Zone 2 is dat in Zone 1 de kans op een explosief mengsel bij normaal gebruik regelmatig aanwezig is, terwijl in Zone 2 dit risico enkel incidenteel of tijdens storingen optreedt.
Je herkent of een sensor ATEX gecertificeerd is aan het typeplaatje waarop het ‘Ex’ symbool in een zeshoek staat, gevolgd door de specifieke zonering en het bijbehorende certificeringsnummer.
ATEX staat voor ‘ATmosphères EXplosibles’ en is de verzamelnaam voor de Europese richtlijnen die voorschrijven aan welke eisen apparatuur en werkomgevingen met explosiegevaar door gas of stof moeten voldoen.
Het verschil tussen ATEX Zone 1 en Zone 21 is dat Zone 1 betrekking heeft op explosierisico’s door gassen of dampen, terwijl Zone 21 specifiek is aangewezen voor omgevingen waar brandbaar stof aanwezig is.
De ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ook wel ATEX 153 genoemd) houdt in dat werkgevers verplicht zijn om een veiligheidsbeleid te voeren tegen explosiegevaar, inclusief zonering en het opstellen van een explosieveiligheidsdocument (EVD).
Voor gebruik in ATEX Zone 0 of Zone 20 is uitsluitend apparatuur uit de hoogste categorie (1G of 1D) toegestaan, omdat in deze zones continu of gedurende zeer lange periodes een explosieve atmosfeer aanwezig is.
De vervanger voor een verouderde Belimo aandrijving is meestal een directe 1-op-1 opvolger; stuur ons een foto van het typeplaatje van uw huidige motor en wij adviseren u direct de juiste moderne tegenhanger met de correcte koppelkracht en aansturing.
Je gebruikt de Belimo LINK.10 voor inbedrijfstelling door de tool aan te sluiten op de service-poort van de aandrijving, waarna je parameters zoals looptijd, draairichting en werkbereik kunt wijzigen en de werking kunt testen zonder dat het gebouwbeheersysteem (GBS) actief hoeft te zijn.
We leveren geen vervangende filters, wel vervangende onderdelen voor kanaalrookmelders, variërend van venturibuizen en rookdetectors, om de levensduur en betrouwbaarheid van uw brandveiligheidsinstallatie te garanderen.
De handleiding van Instruments kun je direct downloaden, waar we zowel installatie-instructies als technische datasheets beschikbaar hebben.
De levertijd voor producten die wij op voorraad hebben is doorgaans één werkdag; bestellingen die op werkdagen voor 15:00 uur zijn geplaatst, worden in de regel de volgende dag bij u op locatie in de Benelux afgeleverd. Voor niet voorradige producten varieert de levertijd afhankelijk van de product categorie.
Betec Controls biedt uitgebreide technische ondersteuning bij het selecteren van de juiste regelkleppen en aandrijvingen door op basis van uw specificaties (zoals Kvs-waarde en drukverschil) de meest efficiënte oplossing voor uw HVAC-project te berekenen.
Een BUS-systeem is een centrale communicatielijn (kabel of set draden) waarmee meerdere elektronische componenten of sensoren in een netwerk, data met elkaar communiceren. Gebouwbeheersysteem of in het kort GBS is het centrale automatiseringssysteem in een gebouw dat alle technische installaties, zoals ventilatie, verwarming en sensoren, aanstuurt en monitort voor een optimaal comfort en energieverbruik.
Modbus is een open communicatieprotocol dat wordt gebruikt in gebouwbeheersystemen om verschillende sensoren en aandrijvingen digitaal met een centrale regelaar te laten communiceren, wat zorgt voor een efficiëntere installatie en minder bekabeling.
Het voordeel van BACnet sensoren ten opzichte van traditionele sensoren is dat ze via een gestandaardiseerd digitaal protocol direct plug-and-play informatie uitwisselen met het gebouwbeheersysteem, inclusief extra diagnostische data zoals foutmeldingen en statusupdates.
Je integreert een ruimteregelaar met Modbus in je bestaande installatie door de regelaar via een tweedraadse RS485-verbinding (bus-structuur) te koppelen aan het gebouwbeheersysteem en vervolgens de juiste registeradressen te configureren voor het uitlezen van waarden zoals temperatuur en CO2.
Er zijn diverse luchtkwaliteitssensoren beschikbaar met een BACnet interface, waaronder de gecombineerde opnemers van HK Instruments en Produal die parameters zoals CO2, relatieve vochtigheid, temperatuur en PM2.5 (fijnstof) via één digitale aansluiting communiceren.
Je kunt verschillende protocollen zoals Modbus en BACnet binnen hetzelfde gebouw combineren door gebruik te maken van gateways of controllers die beide talen spreken en de data vertalen naar een uniform overzicht in het gebouwbeheersysteem.
Overdrukbewaking is essentieel in cleanrooms om te voorkomen dat ongecontroleerde luchtstromen en contaminanten van buitenaf de ruimte binnendringen, waarbij een constant drukverschil ervoor zorgt dat de lucht altijd vanuit de schoonste ruimte naar de minder schone omgeving stroomt.
Bij het meten van de luchtsnelheid in een luchtbehandelingskast (LBK) moet je er vooral op letten dat de sensor wordt geplaatst in een stabiele luchtstroom, bij voorkeur na de filters en op een positie waar turbulentie door ventilatoren of bochten de meting niet negatief beïnvloedt.
Instrumenten die geschikt zijn voor cleanroom monitoring van drukverschil zijn uiterst nauwkeurige verschildruktransmitters (zoals de DPT-serie en DPT-Priima) met een zeer laag meetbereik, vaak gecombineerd met lokale displays of alarmsystemen die direct waarschuwen bij het wegvallen van de vereiste overdruk.
Je kunt de luchtsnelheid berekenen op basis van drukverschil door gebruik te maken van een drukverschiltransmitter gekoppeld aan een Pitot-buis of meetkruis, waarbij de transmitter de wortelformule toepast om het gemeten drukverschil (Pa) om te zetten in een lineair signaal voor de luchtsnelheid (m/s) of het debiet in m³/h.
Dataregistratie van drukverschil is vaak verplicht in kritische ruimtes zoals laboratoria en farmaceutische cleanrooms om aan te kunnen tonen dat de ruimte gedurende het gehele proces aan de gestelde validatie-eisen en kwaliteitsnormen (zoals GMP) heeft voldaan.
Het verschil tussen een analoge manometer en een digitale druktransmitter is dat een analoge manometer enkel een visuele aflezing op locatie biedt, terwijl een digitale transmitter de meetwaarde ook kan doorsturen naar een gebouwbeheersysteem voor centrale monitoring en alarmering.
Je kiest voor een 2-weg afsluiter (of 2-weg klep) in plaats van een 3-weg mengklep wanneer het doel is om een stroom (water, medium) volledig af te sluiten of door te laten (aan/uit-regeling; of modulerend regeling), en er geen behoefte is aan het mengen van retourmedium/water of het omschakelen tussen twee verschillende circuits.
De functie van een roterende aandrijving op een luchtklep is het mechanisch openen, sluiten of modulerend regelen van de klepstand op basis van een stuursignaal uit het gebouwbeheersysteem, waardoor de luchttoevoer in het ventilatiesysteem nauwkeurig kan worden beheerst.
De juiste kvs-waarde voor een regelklep is het debiet in (bv. m3/uur of L/min) dat door een volledig geopende klep stroomt bij een drukverschil van 1 bar. Voor een stabiele regeling moet de berekende benodigde Kv-waarde tussen de 20% en 80% van de kvs-waarde liggen. Kies een klepmaat waarbij de benodigde Kv (bij 100% doorlaat) ruim binnen het regelbereik valt. Kv =( Q x √(sg / ∆p)). Omdat aan deze formule beperkingen zitten, is het aan te bevelen om voor het bepalen van de Kv-waarde een rekenprogramma van de leverancier te gebruiken.
De vlinderkleppen van Betec Controls zijn uitstekend geschikt voor zowel open/dicht-toepassingen als modulerende regelingen, mits ze worden gecombineerd met een passende actuator die het 0-10V of 4-20mA stuursignaal van de regelaar kan verwerken.
Een Belimo hulpschakelaar kan op de meeste types luchtklepaandrijvingen eenvoudig achteraf worden gemonteerd om een extra terugmelding (zoals een begin/eindcontact) te realiseren, mits de aandrijving is voorzien van de juiste interface voor accessoires.
Het voordeel van een drukgecompenseerde regelklep (zoals de Belimo EPIV) is dat de klep ongeacht variaties in de systeemdruk altijd exact het gevraagde debiet doorlaat, wat resulteert in een uiterst stabiel klimaat en een lagere retourtemperatuur in het systeem.
Je kiest voor een 2-weg afsluiter (of 2-weg klep) in plaats van een 3-weg mengklep wanneer het doel is om een stroom (water, medium) volledig af te sluiten of door te laten (aan/uit-regeling; of modulerend regeling), en er geen behoefte is aan het mengen van retourmedium/water of het omschakelen tussen twee verschillende circuits.
De functie van een roterende aandrijving op een luchtklep is het mechanisch openen, sluiten of modulerend regelen van de klepstand op basis van een stuursignaal uit het gebouwbeheersysteem, waardoor de luchttoevoer in het ventilatiesysteem nauwkeurig kan worden beheerst.
De juiste kvs-waarde voor een regelklep is het debiet in (bv. m3/uur of L/min) dat door een volledig geopende klep stroomt bij een drukverschil van 1 bar. Voor een stabiele regeling moet de berekende benodigde Kv-waarde tussen de 20% en 80% van de kvs-waarde liggen. Kies een klepmaat waarbij de benodigde Kv (bij 100% doorlaat) ruim binnen het regelbereik valt. Kv =( Q x √(sg / ∆p)). Omdat aan deze formule beperkingen zitten, is het aan te bevelen om voor het bepalen van de Kv-waarde een rekenprogramma van de leverancier te gebruiken.
De vlinderkleppen van Betec Controls zijn uitstekend geschikt voor zowel open/dicht-toepassingen als modulerende regelingen, mits ze worden gecombineerd met een passende actuator die het 0-10V of 4-20mA stuursignaal van de regelaar kan verwerken.
Een Belimo hulpschakelaar kan op de meeste types luchtklepaandrijvingen eenvoudig achteraf worden gemonteerd om een extra terugmelding (zoals een begin/eindcontact) te realiseren, mits de aandrijving is voorzien van de juiste interface voor accessoires.
Het voordeel van een drukgecompenseerde regelklep (zoals de Belimo EPIV) is dat de klep ongeacht variaties in de systeemdruk altijd exact het gevraagde debiet doorlaat, wat resulteert in een uiterst stabiel klimaat en een lagere retourtemperatuur in het systeem.